Wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen, hoe zit het precies?

05-05-2017 |


Iedere werknemer in Nederland heeft recht op een bepaald aantal vakantiedagen per jaar. De dagen die een werknemer opneemt als vakantiedagen, worden door de werkgever gewoon uitbetaald. De vakantiedagen kunnen worden onderverdeeld in wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen.

Twee soorten vakantiedagen

De wettelijke vakantiedagen zijn de vrije dagen waar een werknemer volgens de wet recht op heeft. Het betreft in uren 4 keer de overeengekomen arbeidsduur per week. Een werknemer met een voltijds dienstverband van 40 uur per week, heeft dus recht op 4 x 40 = 160 vakantie-uren, oftewel 20 vakantiedagen. Op deze manier is gegarandeerd dat alle werknemers in Nederland jaarlijks minstens 4 weken op vakantie kunnen.

Daarnaast is het mogelijk dat werknemers, bovenop de wettelijke vakantiedagen een aantal extra, oftewel bovenwettelijke, vakantiedagen opbouwen. Of en hoeveel bovenwettelijke vakantiedagen iemand opbouwt, staat in de betreffende cao, in het bedrijfsreglement of in de arbeidsovereenkomst. Doorgaans betreft het aantal bovenwettelijke vakantiedagen ¼ deel van de wettelijke vakantiedagen.

Opsparen

De – wettelijke en bovenwettelijke – vakantiedagen die een werknemer gedurende een jaar opbouwt, maar niet opneemt, kunnen worden meegenomen naar het jaar dat daarop volgt. Aan de opgebouwde vakantiedagen zit evenwel een houdbaarheidsdatum.

Wettelijke vakantiedagen vervallen na zes maanden na de laatste dag van het  kalenderjaar waarin de vakantiedagen zijn opgebouwd. De wettelijke vakantieaanspraken over het jaar 2016, moeten dus vóór 1 juli 2017 worden opgenomen. De vervaltermijn geldt niet indien de werknemer buiten zijn schuld om, redelijkerwijs niet in staat was om de vakantiedagen vóór de vervaltermijn op te nemen, bijvoorbeeld ingeval van een buitengewone werkdruk in die periode. In dat geval geldt een verjaringstermijn van 5 jaar, gelijk de bovenwettelijke vakantiedagen.

Bovenwettelijke vakantiedagen verjaren in principe na 5 jaar na het kalanderjaar waarin ze zijn opgebouwd, echter in sommige cao’s zijn is deze vervaltermijn verruimd. Omdat de wettelijke vakantiedagen eerder verjaren, worden deze eerst opgebruikt. Deze voorrangregel met betrekking tot wettelijke vakantiedagen, geldt ook ingeval van het meenemen van opgespaarde vakantiedagen naar een volgend kalenderjaar. Bovenwettelijke vakantiedagen, worden pas aangewend als er geen wettelijke vakantiedagen meer zijn.

Uitbetalen

Bij einde van het dienstverband vindt normaliter een eindafrekening plaats, waarbij de werkgever de niet opgenomen vakantiedagen uitbetaald in geld, of met de werknemer afspreekt dat de vakantiedagen nog worden opgenomen. Soms is het mogelijk om opgespaarde vakantiedagen te laten uitbetalen door de werkgever. Dit geldt alleen voor bovenwettelijke vakantiedagen. De werkgever is evenwel niet gehouden tot uitbetaling van niet opgenomen vakantiedagen.

Ziekte

Ook bij arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, bouwt een werknemer de wettelijke vakantiedagen op. Voor bovenwettelijke vakantiedagen is de eventuele opbouw tijdens ziekte geregeld in de cao of de arbeidsovereenkomst.

Wanneer een werknemer tijdens zijn opgenomen vakantieperiode, onverhoopt ziek wordt, worden deze dagen omgezet in ziektedagen. De betreffende dagen mogen dus op een later moment alsnog als vakantiedag worden opgenomen.

Een reeds ziekgemelde werknemer mag slechts vakantie opnemen indien naar het oordeel van de Arbodienst of bedrijfsarts, de vakantie niet in de weg staat aan herstel en/of re-integratie van de werknemer. Ook moet de werkgever akkoord gaan. De opgenomen dagen worden afgeboekt als vakantiedagen.

 

Bij cao of individuele arbeidsovereenkomst kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot  vakantiedagen, bijvoorbeeld de verplichting tot het opnemen van een vrije dag. Werknemers en werkgever doen u er goed aan om duidelijke (schriftelijke) afspraken te maken omtrent het opnemen en opsparen van vakantiedagen.  

 

 

 

Delen op: